foto1

Nieuws

KERKEN DOEN ER TOE, OMWILLE VAN DE MENS

Opening kerkenmarkt Raad van Kerken Arnhem in de Parkstraatkerk aldaar, 23 juni 2017

Het is vandaag 23 juni. Geen bijzondere dag. Zelfs op de katholieke heiligenkalender staan alleen maar heiligen en zaligen die u waarschijnlijk niet zult kennen en die hooguit voor kerkhistorici interessant klinken: de heilige koningin Etheldreda van Ely (uit de zevende eeuw; van haar komt de voornaam Audrey), de heilige Lietbertus van Brakel, die in de elfde eeuw bisschop van Kamerijk was, de heilige Hidulfus van Henegouwen, een krijgsheer die monnik werd en de stichter werd van de abdij van Lobbes, en de Waalse priester Walhère van Onhaye, patroonheilige tegen hoofdpijn, omdat hij om het leven kwam door een slag op zijn hoofd. Altijd handig, zo’n heilige. Maar vanavond is het natuurlijk wel een bijzondere avond: de vooravond van de feestdag van de geboorte van Johannes de Doper, Sint-Jan dus, en daarmee Sint-Jansnacht, een van de kortste nachten van het jaar, een van de nachten ook van de zomerzonnewende. Voor het feest van de geboorte van Johannes de Doper componeerde Bach zijn cantate ‘Christ unser Herr zum Jordan kam’ (BWV 7), op tekst van niemand minder dan Maarten Luther. Veel kerken zingen het op het feest van de doop van Jezus in de Jordaan in de vertaling van Jan Willem Schulte Nordholt, lied 522 in het Liedboek. Wim Roelfsema speelde zojuist, als opening, een koraalbewerking van Bach over deze cantate (BWV 684). Het lied bezingt het moment waarop Jezus door Johannes gedoopt wordt. Dat moment wil ik ook gebruiken als uitgangspunt om bij deze opening van de kerkenmarkt van de Raad van Kerken Arnhem iets te zeggen over wat kerken in onze tijd kunnen betekenen. De doop van Jezus in de Jordaan is namelijk het moment waarop de Eeuwige een krachtig statement geeft van liefde voor de mens. Als Jezus door Johannes gedoopt wordt, horen de aanwezigen een stem uit de hemel, en die zegt: ‘Jij bent mijn geliefde zoon, in jou vind ik vreugde.’ Ik citeer het hier naar het kortste, het oudste en voor mij ook het mooiste evangelie, dat volgens Marcus, maar woorden van dezelfde strekking zijn ook bij Matteüs en Lucas te vinden. De traditie heeft het, belast en beladen met een hoogdravende theologie, altijd opgevat als een uitspraak die alleen op Jezus betrekking heeft. Maar ik lees de tekst graag niet als een exclusief statement, maar als een inclusief statement: een uitspraak tot Jezus als de mensenzoon, als de vertegenwoordiging van de mensheid, als een statement dus over elke mens. ‘Mens, jij mag er zijn, ik heb je lief, ik word blij van jou.’ Want dat is volgens mij de kern van de boodschap van de bijbelse geschriften, de kern van jodendom en christendom: mens, je mag er zijn, je bent geliefd. Het is ‘een mensenwoord, een mensenloon, de waarheid voor ons allen, diep in ons hart geschreven’, zoals Lied 522 het zo mooi zegt.

Het draait dus om de mens, om menswaardigheid. Enkele jaren voor de remonstranten en andere christelijke kerken via de radio aandacht voor hun bestaan gingen vragen, deden de humanisten dat al. Hun motto luidde toen: ‘Ik geloof in een leven vóór de dood.’ Laat ik het maar ronduit zeggen: ik ook. Ja, sterker nog: ik denk dat de bijbelse geschriften ons niet oproepen om het ware leven uit te stellen tot ná de dood, maar om het hier te leven. Mens, je mag er zijn. Leef! Die boodschap hoor ik doorklinken in die wonderlijke stem die zich vanuit de wolken laat horen bij de doop van Jezus.

En om die stem steeds opnieuw te laten klinken, om steeds opnieuw weer te zeggen ‘mens, je mag er zijn, kom tot leven, je bent geliefd’, daarom is de kerk nodig. De kerk is bij uitstek de plek waar dit blijde woord, deze blijde boodschap over de mens wordt uitgesproken. Als ze nog niet bestonden, dan zouden de kerken alsnog uitgevonden moeten worden, om te zorgen dat er minstens één plek in de wereld is waar die woorden worden doorgegeven en uitgesproken, uitgezongen, uitgebeden. Want de wereld is vaak hard: zij maakt mensen tot dingen, tot nummers, zij zaait dood en verderf, er worden mensen mishandeld, uitgebuit, gemuilkorfd, uitgestoten, bespot en gekwetst. Daarom is het nodig dat er plekken zijn waar tot de mens, tot elke mens afzonderlijk, gezegd wordt: je mag er zijn, je bent geliefd, ik vind vreugd in jou.

Waarom durven de kerken dat te zeggen? Omdat ze door de geschriften van de Bijbel en door de joodse en christelijke geloofstraditie daarin gesterkt worden. Daarom is het goed dat die traditie wordt voortgezet. Het verhaal moet verder verteld worden, het moet levend gehouden worden, wij moeten het doorgeven. Daarvoor is de kerk een nuttig instrument. Ook niet meer dan dat. De kerken zijn geen doel in zichzelf, zij zijn alleen een hulpmiddel, om te zorgen dat het verhaal wordt doorverteld, het verhaal van de Eeuwige die het gaat om het geluk van de mens. ‘De eer van God is de levende mens’, dat zei de christelijke schrijver Ireneüs van Lyon al in de tweede eeuw: gloria Dei homo vivens. In de boodschap van de Bijbel en de christelijke geloofstraditie zal iedereen andere accenten zetten. Voor mij springen er twee kroonjuwelen uit. Het ene kroonjuweel zorgt voor troost en bemoediging, het andere voor uitdaging en aansporing.

De troost zit voor mij in het diepe besef dat wij gedragen worden. Wij worden niet aan de afgrond overgelaten. Wij zijn geen prooi van ultieme zinloosheid. Er is iets dat ons draagt, iets waarin wij geborgenheid vinden. Noem het Leven, noem het Liefde, noem het God. Dat besef van geborgenheid doortrekt de psalmen en de wijsheidsliteratuur in de Hebreeuwse Bijbel. Jezus van Nazareth brengt het dichtbij. Hij noemt het vertrouwelijk abba, papa, onzevader. Veel meer kunnen we er niet over zeggen. Dan wordt het stamelen, zoals de grote mystici doen. Het andere kroonjuweel daagt ons uit. Dat is de boodschap dat er toekomst is. Die hebben we nodig, want we hebben alleen deze ene wereld. Hier moeten we het met elkaar doen. Die toekomst is er als we ons tot elkaar bekeren. Die boodschap doortrekt het spreken van de oudtestamentische profeten. Zij doortrekt vooral het spreken en optreden van Jezus van Nazareth. Voor die menswaardige toekomst gebruikt Jezus het beeld van het koninkrijk van God: daar waar de regels van God, die van liefde en gerechtigheid, het leven bepalen. Dat koninkrijk is niet een soort hiernamaals, ook geen toekomstige wereldtoestand die door een mythisch ingrijpen van hogerhand, een 'Apocalypse Now', tot stand komt. Het koninkrijk leeft al in jou, zegt Jezus. En het heeft kansen tot groei als wij liefde en gerechtigheid delen. Dan kan de kiem van het koninkrijk uitgroeien en tot bloei komen. Dan kan er een menselijke wereld komen waarin, om een beeld van Huub Oosterhuis te gebruiken, 'brood en liefde is, genoeg voor allen'.

De weg daar naartoe is de weg van de compassie. Compassie is geen medelijden, zoals de Britse religiewetenschapper Karen Armstrong terecht beklemtoont. Compassie is de bereidheid om samen met de ander ergens doorheen te gaan, de passie van de ander te delen. Dat betekent de pijn ondergaan van de ander, maar ook de vreugde van de ander. Wij kunnen de pijn delen van de ander als we de pijn in onszelf onder ogen durven zien, onze eigen mislukkingen. Wij kunnen de vreugde van de ander delen als we ook onszelf in vreugde willen aanvaarden. Dan kunnen we de ander behandelen op de manier waarop wij zelf behandeld zouden willen worden.

En dan voorkomen we dat we de ander iets aandoen wat we zelf niet zouden willen meemaken. 'Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen', zegt Jezus. Al zo'n vijfhonderd jaar vóór het begin van onze jaartelling formuleerde de Chinese wijze Confucius dit als het beginsel van de wederkerigheid.

Toen aan rabbi Hillel, één generatie vóór Jezus, gevraagd werd de hele wet samen te vatten in de tijd dat hij op één been kon staan, zei hij ongeveer hetzelfde: 'Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat is de hele Thora. De rest is commentaar.' Deze les is de wereld ingegaan als de Gulden Regel.

Ik zie de kerk als een leerschool voor compassie. In de kerk kunnen wij onze eigen onvolkomenheid onder ogen zien. Maar we horen er ook dat wij aanvaard zijn. We lezen er de verhalen uit een ver verleden, verhalen die ons kunnen bemoedigen en uitdagen. We vieren er in tekens dat gemeenschap en verbondenheid mogelijk zijn, ondanks alles, en dat er grond is voor onze hoop op een menselijke wereld, opnieuw ondanks alles. En we worden er uitgedaagd om aan die wereld te werken, om vanuit compassie te leven, ook buiten het kerkgebouw, ook op gewone weekdagen.

Dat doen we, gesterkt door de verhalen die we elkaar in de kerk voorlezen, verhalen die vertellen over een God die de mensen steeds is blijven dragen. Zoals een kerklied (Liedboek 90a) het zegt met woorden uit Psalm 90: O God, die droeg ons voorgeslacht in nacht en stormgebruis, bewijs ook ons uw trouw en macht, wees eeuwig ons tehuis.’ Dat lied zal gezongen worden in de slotviering van deze kerkenmarkt, vanavond om kwart over zeven. Wim Roelfsema speelt nu van Bach de Fuga in Es-dur, BWV 552, waarvan het thema identiek is aan die van het lied dat vanavond gezongen zal worden.

Peter Nissen

Hoogleraar Spiritualiteitsstudies aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en remonstrants predikant in Oosterbeek

Copyright © 2017, RvkArnhem